Wanneer je de windgenerator opstart
en daarna op de knop ‘Terrein parameters’ klikt, verschijnt dit dialoogvenster:

In het bovenste deel van dit venster, definieer je ofwel:
- ofwel de referentie winddruk qb
- ofwel de basis wind snelheid vb0
Indien je voor deze optie kiest, moet je ook de richtings- cdir en seizoensfactoren cseason opgeven (meestal = 1). Alsook de luchtdichtheid (meestal = 1,25kg/m³). 1•2•Build zal met deze gegevens dan automatisch de referentie winddruk qb.
In het tweede deel van dit venster moet u het terreintype opgeven en een extra hoogte (indien nodig). Standaard staat deze extra hoogte op 0m. Maar als de structuur zich op een bepaalde hoogte boven het maaiveld bevindt, dan moet je deze extra hoogte opgeven. 1•2•Build zal dan automatisch de windlast toepassen rekening houdend met deze extra hoogte.
Het laatste deel van dit venster wordt gebruikt om een specifieke topografische ligging te definiëren. Om het gebruik van de windlastgenerator te vergemakkelijken, kan het hellingspercentage en de s-factor automatisch berekend worden door te klikken op de knop ‘Bereken’. Het volstaat dan om in het dialoogvenster dat verschijnt alle coëfficiënten in te geven.