Voordat we met het eigenlijke tekenen beginnen, zorgen we ervoor dat er op een raster met een voldoende fijne resolutie kan worden getekend. Activeer de rasterdefinitie met `
` en stel vervolgens de resolutie van het raster in beide richtingen in op 50 cm.
Selecteer het pictogramveld ‘ geometry ’ in het palet. Op dit gebied zijn er eigenlijk maar drie functies beschikbaar. Alle andere functies zijn gedimd en kunnen pas worden gebruikt nadat er een selectie in het venster is gemaakt.
Klik op het pictogram
, waarna je de assen van de doorlopende balk rechtstreeks op het scherm kunt tekenen. Klik met de linkermuisknop op een punt van het raster waar je wilt beginnen met tekenen. Sleep de muis vervolgens naar rechts (terwijl je de linkermuisknop ingedrukt houdt). Als je de muis over het venster beweegt, zie je onderaan het venster de lengte van de getekende lijn. Beweeg de muis naar het punt waar dx = dy = 400 cm en 0 cm. Laat vervolgens de linkermuisknop los.
Teken nu dus het eerste veld van je doorlopende balk. Teken het volgende veld door de muis naar het rechteruiteinde van de getekende lijn te verplaatsen. Zodra je een klein rood cirkeltje ziet verschijnen, druk je nogmaals op de linkermuisknop en beweeg je de muis vervolgens weer naar rechts. Zorg ervoor dat dx = dy = 150 cm en 0 cm. Laat vervolgens de linkermuisknop los en klik op het pictogram
om de tekenfunctie uit te schakelen.
Gebruik het pictogram ‘
’ in de werkbalk om de getekende assen optimaal weer te geven. Op dit moment zou je model er als volgt uit moeten zien:
Als de gegevens in je modelvenster onvolledig zijn, klik dan op het pictogram ‘
’ in de werkbalk en controleer in het volgende dialoogvenster of de ontbrekende gegevens zijn ingevuld (bijvoorbeeld de lengte van de balken):



